|
Zoals ik vorige week al aankondigde gaat het deze week
over een reis terug in de tijd, in een gebied wat nu het Tjeukemeer is.
Het is dan zo, dat ik me bewust ben van mezelf in het nu en op het zelfde
moment dingen beleef uit het verleden. Niet alleen zie ik van alles, maar
ik voel en beleef mezelf als of ik ook in die andere tijd ben. Ingewikkeld
zult U zeggen, maar ik weet ook niet precies hoe ik U duidelijk moet maken
hoe mijn situatie op zo'n moment is.
Met de varkenshouders
mee
Het bouwsel, waar bij ik me bevond, was geheel van palen
gemaakt van ongeveer zeven centimeter dik. Een grote kooi eigenlijk, met
een schuin dak. Dit dak was niet helemaal dicht, de palen lagen ongeveer
tien tot vijftien centimeter van elkaar. Om de grond droog te houden was
een gedeelte van het dak met takken en plaggen bedekt. Ik heb de indruk
dat dit niet het hele jaar zo was, men deed dit alleen in de regen en
winter periode. In dit bouwsel, dat een stal was, liepen wel twintig
zwijntjes rond. Het was dus een vroegere varkenshouderij, om het een
moderne naam te geven. Zo te zien kregen deze beesten voer wat
samengesteld was uit wortels, bladeren en vruchten die in het omliggende
bos verzameld werd. Tien meter van deze "varkenshouderij" stond
een klein, gesloten bouwsel wat dienst deed als woning, maar waar ook nog
wat kippen en ander klein vee in rondscharrelden. Er was dus maar heel
weinig woonruimte voor de mensen. Meer dan een tafel met houten banken en
een vuurplaats was er niet. Slapen deed men in een soort bedstede, maar
dan zonder deuren.
Buiten maakte men zich klaar om weg te gaan. In een
houten kooi zaten twee zwijntjes. Door de kooi staken twee lange stammen
zodat de kooi als een draagbaar geheel, vervoerd kon worden. Vier mannen
sjouwde de kooi met de zwijntjes, en twee vrouwen liepen er bij met manden
vol met witte wortels. We liepen langs een pad door het bos en hier en
daar was een kleine woning die allemaal zo'n beetje het zelfde leken. Ook
moesten we een paar keer een groot stuk kale zandvlakte oversteken.
Telkens kwamen meer mensen achter ons aan lopen. Ze hadden van alles bij
zich. Zo waren er met levende dieren, zoals vogels en een soort kippen.
Ook zag ik mensen met geschoten wild, die ze aan stokken gehangen mee
namen. Vooral vrouwen drogen dingen die je als groente en fruit kan
bestempelen. Soms in grof gevlochten manden, maar er liepen er ook met
samengebonden stengels, wat ook groente was.
Naast me liep een kleine jongen op blote voeten, maar
verder netjes gekleed. Hij had een broek aan die tot aan zijn kuiten kwam
en daarboven droeg hij een wijd hemd met lange mouwen. Op z'n hoofd had
hij een grote muts en in z'n hand droeg hij een klein mandje. Toen ik er
nieuwsgierig in keek zag ik alleen maar hooi, maar toen hij het hooi op
zij deed, bleken er wel vijftig kleine bruin gespikkelde eitjes in te
zitten.
Toren als seintoestel
Het was langzamerhand een hele optocht geworden toen we
bij een grote open plek kwamen. Daar zag ik een enorme houten toren staan
van wel vijfentwintig meter hoog. Er omheen stond een muur van houten
palen en er lag een soort gracht omheen, die in een langs stromende rivier
uitkwam. Via een smalle brug van twee meter breed konden we het water
oversteken en achter de houten muur komen. Het was duidelijk feest, want
er was ook een groep mensen met een kar met een klein paard ervoor die er
uitzagen als artiesten. Ze droegen fel gekleurde kleren en ik hoorde ze op
een trommel slaan en blazen op een fluit. Toen ik achter de houten muren
kwam zag ik een binnenplaats met in het midden de grote toren.
Via ladders kon ik aan de binnenkant helemaal naar
boven, en daarboven stond een grote, ronde, glimmende plaat. Dit diende
als sein werktuig en hiermee onderhield men contact met torens ver weg. Nu
kon er alleen geseind worden wanneer de zon scheen, die op de glimmende
plaat weerkaatste. Voor de nacht kon men met een vuur, gestookt in een
grote stenen pot, ook nog wat berichten doorgeven. Deze toren hoorde bij
een complex van torens in een gebied dat van één volk met eigen leiders
was. De mensen in dit gebied betaalde ook belasting in de vorm van
opbrengsten van hun bezigheden.
De witte wezens
Het feest speelde zich niet alleen af binnen de muren,
maar ook er omheen, buiten de gracht. Overal waren vuren gemaakt en de
mensen zaten er omheen, hoofdzakelijk eten, drinkend en dansend. Overal
hoorde je muziek en gepraat. De zon was verdwenen en de volle maan en de
vuren maakte alles tot een spel van geluiden en schaduwen. Binnen de muren
zaten hoogwaardigheid bekleders aan een grote tafel te eten. Ook daar werd
veel gepraat, maar dan wat rustiger dan buiten de muren.
Op een gegeven moment werd het stil, doodstil. In de
verte klinken hele hoge stemmetjes, die langzaam dichterbij komen. Dan
komt uit het bos een groep in het wit geklede wezens te voorschijn. Ze
zijn gekleed in witte jurken en ook hun gezicht en haren zijn spierwit.
Dichter bij gekomen blijken het zeven meisjes en een oude man te zijn. Bij
een groot vuur pal voor de brug houden ze zich stil en de oude man neemt
plaats op een soort zetel, terwijl de meisjes achter hem blijven staan.
Zonder een woord te zeggen gaan de mensen om deze groep heen zitten,
sommige op de grond, maar de hoogwaardigheid bekleders op een soort
krukken die door anderen voor hen worden neergezet. De oude, in het wit
geklede en beschilderde man, begint te vertellen, hoofdzakelijk over Goden
en Geesten. Hij zegt dat de Goden hen welgevallig zijn, maar ook verteld
hij dat sommige kwaad zijn omdat er te veel uit het bos gehaald wordt. De
bosgeesten komen in gevaar, zo zegt hij, omdat er te veel branden worden
gemaakt om grond te krijgen waar men gewassen verbouwd of als bouwgrond.
Hierdoor, zo begrijp ik, ontstaan de zandverstuivingen waar de bosgeesten
niet blij mee zijn.
Op een gegeven moment staat de oude man op, en terwijl
hij met de meisjes het bos in wandelt, zingen deze laatste met hele hoge
stemmen een lied over Goden en Geesten. Wanneer de stemmen verstommen,
staat iedereen op en het feest gaat verder als was de groep van de
"Witten" er nooit geweest.
Pas als de zon op komt doven de vuren en gaat iedereen
weer zijns weegs. Maar sommigen blijven in de opkomende zon, en in elkaars
armen, hun roes uitslapen. Hoog op de toren zie ik twee mannen de
glimmende plaat als een wit licht in de zon bewegen. |