|
Voor
Rogiertjes moeder
.....
Toen we
wisten, dat zijn lichtje aangestoken was, hebben we gezegd, dat hij een
heiden zou zijn en Rogier zou heeten.
Een vrije
heiden zou hij worden, die daden zou durven verder dan zijn vader, die in
verten zou zwerven verder dan zijn vader, die het vuur zou overnemen en
zou branden, verder dan zijn mattere vader.
Zooals
een hooge wolk, uit donkeren stapel opgedreven, zijn kop verheft in het
licht, zoo zou hij opvaren uit de kanteling onzer krachten.
Toen we
het wisten, zijn we gezworven de lange stranden langs, want we willen hem
wetten den honger naar de verte.
Toen we
het wisten, zijn we getrokken naar het Westen, waar de wolken branden in
den avond, want we willen hem scherpen den dorst naar bloed en goud.
Toen we
het wisten, zijn we naar de zee gegaan, want we willen hem schenken den
nood om de eeuwige vernietiging.
Toen we
het wisten, zijn we gaan luisteren naar den nachtwind in de boomen, want
we willen,
dat hij het geheim zal verstaan.
Toen we
het wisten, zijn we gaan wandelen in den regen, want we willen, dat hij
mild zal zijn en berusten.
Toen we
het wisten. zijn we geklommen op den hoogsten top en we hebben de armen
gestrekt naar de zon.
Want wij
willen, dat hij Haar priester zijn zal en dat hij aan Haar zal verbranden.
.....
Rogier
zal zijn naam zijn, dat zal hem sterk maken en ruig, als de boeren van
mijn eiland.
Rogier,
dat is de oude toren aan zee,
waar 's nachts de vuren branden.
Rogier,
dat is de hartstocht van eiken.
Rogier,
dat is de macht van den basalten golfbreker.
Rogier,
dat zijn de breedgeschofte paarden
van mijn eiland.
Rogier
zal zijn naam zijn en hij zal hem dragen onder het volk als een rooden
mantel.
Rogier,
hij zal de roede voeren.
Een
heiden zal hij zijn,
dan zal hij zijn liefde niet rekenen.
Hij zal
een stortstroom zijn van de bergen naar zee.
.....
Een
heiden zal hij zijn,
dan zal hij naar de vrucht niet reiken.
Hij zal
zwerven zonder doel en de aarde
zal bloeien onder zijn voet.
Een
heiden zal hij zijn, dan zal hij niet zoeken.
Maar de
verborgen ader zal hem trekken.
Een
heiden zal hij zijn,
dan zal hij veranderen van dag tot dag.
Hij zal
geen grenzen kennen.
Een
heiden zal hij zijn,
dan zal hij zwijgen en verwerpen.
Niemand
zal hem onderwerpen.
Niemand zal hem kennen.
Een
heiden zal hij zijn,
dan zal hij God herkennen.
Hij zal
veracht zijn.
Een
heiden zal hij zijn,
dan zullen de dieren naar hem toekomen.
Hij zal
dooden zonder schuld.
Een
heiden zal hij zijn, dan wordt de wind zijn broeder en zijn zachte zuster
zal de regen zijn.
Hij zal
de heilige verhalen verstaan.
Een
heiden zal hij zijn, dan wordt de zee zijn vader
en zijn moeder zal de diepe nacht zijn.
Zijn hart
zal kloppen met den grooten polsslag.
Een
heiden zal hij zijn,
dan zal een licht hem verblinden,
dan zal een stem hem verdwazen.
Hij zal
den weg gaan, waarvan geen terugkeer is.
Een
heiden zal hij zijn, dan zal hij verzinken.
Hij zal
in zee steken en vergaan.
Dan zal
hij suizen in de bladeren,
dan zal hij spreken in de zee.
Dan zal
hij ademen in den nacht,
dan zal hij roepen in den wind.
Dan zal
hij wezen over tijd en wereld.
|