|
parn 284
De
stoel
Op mijn vijftigste verjaardag kreeg ik een
briefje van mijn oude buurmeisje Gerry. Ze is een paar dagen na mij vijftig
jaar geworden en wilde graag dat ik op haar feestje kwam. Daar kwam bij dat
ze een heel speciaal geschenk voor mij had, dat ik mooi op die feestdag kon
ophalen.
Omdat we maar enkele huizen van elkaar af woonde en nog
geen veertien dagen in leeftijd schelen, hebben Gerry en ik samen in de boks
gezeten. Dat zal dan wel voor de winkel van mijn opa geweest zijn, want die
zat graag op zijn oude dag op zijn stoel voor de deur in het zonnetje. Dan
kon hij ook meteen een oogje op ons baby’s houden. Over de moeder van
Gerry gaat nog een mooi verhaal in onze familie rond. Mijn zuster vertelde
er over in het radioportret dat de KRO over mij maakte en dat begin januari
van dit jaar werd uitgezonden. Op het internet is dit programma nog te
beluisteren. Een link staat op mijn website.
De moeder van Gerry werd als baby van negen
maanden oud erg ziek. De plaatselijke huisarts ging er van uit dat het
kleine meisje zou sterven, temeer omdat ze niets meer dronk. Op de brug,
waar het dagelijkse nieuws werd besproken, ging het verhaal dat de dokter
elke dag speciaal naar het huis van het zieke kindje keek om te zien of de
gordijnen al dicht waren. Mijn oma, altijd meelevend, stuurde mijn opa op
onderzoek uit. Het ging niet goed met het kindje maar Opa wist raad. Hij
schrapte wat spek af, en dit deed hij voorzichtig met een lepeltje in het
mondje van de verzwakte baby. ‘Geef haar nu maar te drinken’, sommeerde
hij de moeder, en wonder boven wonder, het kindje ging drinken. Er kwam
zelfs een soort strijd van tussen de dokter en de winkelier. ‘Ze blijft
leven’, beweerde opa, ‘Ze redt het niet’, stelde de dokter. En opa
kreeg gelijk en het kindje van toen is nu al weer dik in de zeventig.
Toen mijn opa nog een nakomertje kreeg vroeg hij
de dokter om de bevalling te doen van zijn zoon, want dat wist hij zeker.
Intuïtie hé, hij had al twee dochters, maar dit zou de lang verwachte zoon
worden. Na de bevalling hield de dokter met een glimlach het pasgeboren
kindje in de lucht. ‘Je intuïtie heeft je nu toch een keer in de steek
gelaten’, hield hij Opa triomfantelijk voor. Opa zag het met eigen ogen,
het was weer een dochter, mijn moeder. Daarna hebben ze er samen een neutje
op genomen en de strijdbijl lachend begraven.
In huis
zat opa altijd in zijn rieten stoel bij het raam, zodat hij de boel een
beetje in de gaten kon houden. Als kind was voor mij één ding duidelijk.
Dat was de stoel van opa. Daar zat niemand anders zomaar op. Na de dood van
opa bleef de stoel staan. In mijn herinnering werd de stoel wel gebruikt
door tante Zus, een zuster van opa, wanneer ze thee kwam drinken als ze naar
de markt was geweest. Dan kwam het voor dat oma mensen had uitgenodigd
waarvan ze vond dat tante Zus die moest magnetiseren. Dat vond iedereen heel
normaal en daar werd dan verder ook niet over gesproken. Er werd een krukje
voor tante Zus neergezet en daar ging de patiënt dan op zitten. Zo’n
beetje tussen haar benen, want ze stond zeker niet op.
Toen oma later naar het bejaardenhuis ging nam ze
maar enkele meubeltjes uit het oude winkelpand mee. De familie nam mee wat
bruikbaar was en de rest ging weg. Ik was een jaar of twaalf en mocht met de
overgebleven huisraad van oma doen wat ik wilde, als het maar opgeruimd
werd. De oude rieten stoel ‘verkocht’ ik aan buurmeisje Gerry, die
blijkbaar een beter historisch besef had dan ik zelf. Ze heeft de stoel al
die jaren bij zich gehouden en zelfs opnieuw gestoffeerd. De stoel van de
man die haar moeder het leven heeft gered. ‘De stoel moet nu maar terug
naar zijn roots’, schreef Gerry mij in de brief
die ze mij voor mijn vijftigste verjaardag schreef. Vooral omdat ze
getroffen was door de wijze waarop ik over mijn Opa schreef in een eerdere
column over mijn jeugd. (zie: Jeugd in Leidschendam).
Ik ben blij dat deze tachtig jaar oude rieten stoel
weer in mijn huis staat.
Hij zit lekker en voelt heel vertrouwd.
Bedankt Gerry.
|