|
Paranormaal 292
Vrijdag avond kwart voor elf ging de telefoon, en toen
ik opnam hoorde ik mijn zoon in de verte tegen iemand praten. Martijn was
bij zijn vriendin Angela een dorp verderop geweest en was op weg naar huis. Ik
ving wat flarden van zijn stem op over een voorwiel dat wegbrak en toen werd
de verbinding verbroken. ‘Hij heeft een ongeluk gehad, auto total los maar
hij mankeert niets’, zei ik tegen mijn vrouw en dochter en stapte in de
auto om te gaan kijken. Toen ik in Oosterzee kwam trof ik enorme ravage aan.
Overal glas, maar ik had alleen oog voor mijn zoon. Zijn wagen lag op zijn
kop, en daar stond hij gezond en wel. Toen ik hem even vast pakte wist ik
meteen dat hem niets mankeerde. Maar ik wist ook wat dit ongeluk voor hem
betekende. Wat hij precies had meegemaakt.
Martijn had een groepje overstekende eenden proberen te ontwijken maar heeft
er toch een onder zijn wielen gehad en is daardoor geslipt. Zijn wiel kwam
op de rand van een wegdrempel en brak weg, waardoor de auto frontaal over de
kop ging. Alle ruiten waren kapot en de wagen werd voor een gedeelte
ingedeukt. Als je de schade aan de auto ziet ben je alleen maar blij dat hij
er ongedeerd uit is geklommen.
Er waren al snel mensen ter plekken en er waren er
zelfs die het ongeluk hadden zien gebeuren. Een man die het gezien had
vertelde me dat hij zo geschrokken was, dat hij mijn zoon flink de huid vol
schold. Hij verontschuldigde zich hier over tegen mij. Ik moest er wel om
lachen, want waarschijnlijk had ik het zelfde gedaan. Het is gebleken dat
Martijn niet te hard reed, maar als zo veel jonge rijders heeft hij een
snelle rijstijl. Er zijn heel veel mensen die een handje uit staken om de
boel weer wat aan kant te krijgen. Het glas werd al van de weg geveegd toen
ik er aankwam. Martijn werd opgevangen en had wat met iemand z’n telefoon
staan knoeien om mij te bellen. Dit was niet helemaal gelukt, maar ik had
toch genoeg gehoord. Al die mensen die geholpen hebben wil ik van deze
plaats toch even bedanken. Zo iets doet goed. Want het was voor iedereen wel
even schrikken. Gelukkig is er verder niemand gewond geraakt en is het tot
materiele schade beperkt gebleven.
Even later kwam eerst de politie en even later ook een
ziekenwagen. Ik moet zeggen dat ze er snel bij waren. Ik stond de boel met
de politie een beetje te regelen, en voor ik er erg in had lag mijn zoon op
de brancard in de ziekenwagen. De broeders vertelde me dat ze hem mee wilde
nemen naar het ziekenhuis. Dat ging me even boven mijn pet, want ik wist dat
hem niets mankeerde. Na wat gemopper van mijn kant vertelde de broeder me
dat het tot stilstand komen met een grote snelheid inwendige scheuringen
kunnen veroorzaken. Dit kan tot hele ernstige problemen zorgen. In het
ziekenhuis kunnen ze dit even in de gaten houden. In de tussentijd was
Angela op haar pantoffels gearriveerd. Ze had het bericht van het ongeluk
gehoord en was samen met haar vader de deur uit gevlogen. Samen vertrokken
ze met de ambulance naar het ziekenhuis in Heerenveen waar ik ze na het
ophalen van mijn vrouw en dochter weer opgehaald heb.
Toen we zaterdag naar het terrein van de berger gingen
om nog wat spulletjes uit de auto te halen voor hij naar de sloop gaat,
kregen we nog een nare toegift. De mooie auto radio was verdwenen. Dieven
hadden een gat in het hek gemaakt en hun slag geslagen. Dat doet toch wel
even denken. Dat er mensen zijn die kijken of er nog iets in een wagen zit
waarmee een ernstig ongeluk is gebeurt. Zo iets is stom. Het is een soort
grafroverij, waar je niet mee weg komt. Dit kan een mens niet doen voor
z’n geweten. Daar kan je je van binnen alleen maar voor schamen.
Tijdens zo’n ongeluk komt de mens even oog in oog met
de dood te staan. Er is een moment dat het leven heel intensief word
beleeft. Er is geen angst, alleen maar een helder beleven. Geestelijk
stijgen we even boven ons zelf uit.
We hebben de angst voor de dood overwonnen.
Dit vinden we terug bij de inwijdingsrituelen van de oude natuurvolkeren. De
jongens worden zo rond hun twintigste het bos ingestuurd en moeten daar een
gevaarlijk dier doden. Dat kan een tijger zijn, of een beer, al naar gelang
de streek. Het zijn altijd dieren die in staat zijn om een mens te doden.
Tijdens het gevecht met het dier zal de jonge krijger zijn angst voor de
dood overwinnen, zo is het idee er achter.
Wanneer de jongen dan met zijn buit terug komt in het dorp is zijn status
meteen veranderd. Hij is niet langer de jongen die toch wel een beetje bang
het bos in ging.
Martijn is nu een man.
|